Inca berries

Inca berries (Physalis peruviana) stammen uit Zuid-Amerika, meer specifiek groeit hij in het wild in de bijna ijle hoogtes van het Andesgebergte en dan ook nog eens het tropische deel daarvan. Die eisen beperken dus behoorlijk zijn leefgebied en de Inca berries vindt je daardoor voornamelijk in westelijk Peru en noordelijke delen van Chili. 

Tot voor kort werd deze bes cape gooseberry, goldenberry of simpelweg physalis genoemd, maar de handige jongens in paarse broeken en moeilijke brillen hebben verzonnen dat deze bes als superfood verkocht moet gaan worden. Bij een nieuwe doelgroep hoort ook een nieuwe naam: de Inca berry was geboren.

In onze supermarkten, tuincentra en webstores werden al een tijdje wat directe familieleden van deze bes verkocht. De bessen van de tomatillo (Physalis ixocarpa) en die van de lampionplant (Physalis alkekengi) hebben net als de Inca berry ongeveer dezelfde vorm en structuur als die van een tomaat. Ze zijn alleen iets kleiner van formaat en daarom worden beide in toenemende mate in de wat duurdere gezonde salades verwerkt.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Physalis, is afkomstig uit het Grieks: physa (φυρα) betekent ‘blaas’ en is een verwijzing naar het blaasvormige omhulsel. Het tweede deel, peruviana, betekent '(uit) Peru'.
[Foto: Tovano]
Inca berries kunnen op dezelfde manier geconsumeerd worden als zijn wat bekendere familieleden, maar je kunt ook gedroogde Inca berries aantreffen in een zakje gedroogd fruit. Ze hebben een wat complexe smaak. Het eerste wat je proeft is de bijna intense zoetigheid, maar dit wordt gevolgd door een ietwat zure nasmaak. Het is een smaaksensatie die doet denken aan die van de gedroogde perzik. De wat taaie textuur van de bes en knapperige zaden lijken weer op de gedroogde vijg.

Zijn Inca berries superfood? Welnee, maar ze zijn wel smakelijk. Met andere woorden: de Inca berries zullen hun weg in de handel en naar de consument wel weten te vinden.

Boekweit

Om direct een dreigend misverstand uit de wereld te helpen, meld ik nu al dat boekweit (Fagopyrum esculentum) geen graan is, maar de ongeveer zes millimeter grote zaadjes van een struik. Je kunt het daarom vergelijken met zonnebloempitten. Het gevolg daarvan is dat boekweit geen gluten bevat en dus perfect past in een glutenvrij dieet.
Boekweit behoort tot de duizendknoopfamilie. Het is een middelhoge, rechtopstaande, eenjarige zomerbloeier. De plant bloeit met witte tot roze bloemen, samengevoegd in pluimpjes. De driekantige zaden lijken op beukenootjes, wat het eerste deel van het woord 'boekweit' verklaart. Het tweede deel, weit, is een oud woord voor 'tarwe'. Zelfs de Engelsen hebben met buckwheat datzelfde woord van ons geleend.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Fagopyrum, is een combinatiewoord. In het Latijn was fagos 'beuk' en in het Grieks was puren (πυρήν) was 'kern' of 'pit'. Samengevoegd is dat dus 'beukenoot'. Het tweede deel, esculentum, is een vorm van het Latijnse werkwoord edere, wat 'eten' betekent.
De wortels van boekweit stonden oorspronkelijk in zuidoost-China, waar het al zo'n 6,000 vChr werd verbouwd. Het viel zo in de smaak dat het de hele wereld overtrok. Rond 5,300 vChr was het al aanbeland in Finland, meegenomen tijdens een van de vele volksverhuizingen.

In ons land werd boekweit in de 17de en 18de eeuw voornamelijk verbouwd op afgebrand hoogveen. Het was het enige gewas dat nog een beetje op die arme gronden kon gedijen. Tegenwoordig is de opbrengst te gering om de verbouw van boekweit in ons land rendabel te krijgen.

Ooit was het dus een belangrijke bron van noodzamelijk voedingsstoffen, maar die functie is na verloop van jaren overgenomen door de aardappel, die onooglijke ingedroogde bollen die Columbus meenam naar Spanje van zijn reizen naar Zuid-Amerika.

Je zou dus kunnen verwachten dat boekweit in de Lage Landen zo'n beetje uit het straatbeeld is verdwenen, maar Nederland zou Nederland niet zijn als er handel in gezien werd. Ons land is namelijk wereldmarktleider op het gebied van handel in boekweit. Vooruitgang is namelijk niet altijd vooruit, maar soms ook cyclisch en daar profiteert boekweit van. Tegenwoordig wil men 'eerlijk' eten op het bord en wil men van exotische gerechten genieten. Aan die eisen voldoet boekweit met gemak.
Pasta van boekweit? In Japan is soba populair, dunne noedels op basis van boekweit, die daar nog steeds dienst doen als basisvoedsel in hun noedelsoep. Het gebruik stamt uit de Tokugawa periode (1603 tot 1868), toen iedere wijk meerdere 'restaurants' had waar men die voedzame soep serveerde.

Cacaoboon

Zo'n 5,000 jaar geleden werd de cacaoboon al in de een of andere vorm geconsumeerd door de inwoners van het Mexicaanse schiereiland Yucatan. De cacaoboon of cacaopeul van de cacaoboom (Theobroma cacao) is de uiteindelijke bron van het gedroogde en volledig gefermenteerde zaad. Het oorspronkelijke domein van de cacaoboom bestrijkt zuidelijke delen van Midden-Amerika en noordelijke delen van Zuid-Amerika.
Een drietal variëteiten domineren de wereldmarkt. De Forastero omvat zo'n 80 tot 90 procent van de wereldmarkt. De Criollo wordt gezien als een echte delicatesse, al zullen plantages, die deze varieteit produceren, genoegen moeten nemen met een lagere opbrengst. De Criollo wordt voornamelijk in Venezuela verbouwd. Tot slot is er de Trinitario, een hybride van de Forastero en de Criollo, die stamt van het Caraibische eiland Trinidad.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Theobroma, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar theos (Θεός) 'god' betekent en broma (βρῶμα) 'voedsel'. Samen is dat dus 'voedsel van de goden'. Het tweede deel, cacao, heeft ons via de Spaanse conquistadores bereikt en die hebben het geleend vanuit de oude taal van de Azteken, het Nahuatl, waar cacahuatl 'boon van de cacaoboom' betekent.

De naamgeving van de cacaoboon geeft al duidelijk aan dat de oorspronkelijke plaatselijke bevolking grote waarde hechtte aan de cacaoboon. Ze maakte er een chocoladedrank van die vaak werd versterkt met chilipepers. Het wordt dus een potente drank.
De cacaopeul wordt met een machete voorzichtig in tweeën gehakt, waardoor de cacaoboon zichtbaar wordt. De peul zelf wordt weggegooid, maar het vruchtvlees en de tot 50 zaden worden in de zon gelegd. Daar moeten ze een paar dagen 'zweten', waarbij het dikke vruchtvlees vloeibaar wordt en een fermentatieproces ondergaat.

Cacao is rijk aan allerhande anti-oxidanten, maar heeft ook een stimuleren effect als gevolg van de aanwezigheid van theobromine en cafeïne. Er bestaan nogal wat wetenschappelijke onderzoeken die positieve eigenschappen hebben ontdekt van het consumeren van cacao of donkere chocolade. Zo zou het de kans op het krijgen van hart- en vaatziekten kunnen verminderen en een bloeddrukverlagende werking bezitten[1][2].
Dat chocola een ietwat verslavende werking kan bezitten is niet zo'n probleem, want je moet regelmatig donkere chocolade eten om van de veronderstelde positieve eigenschappen te kunnen genieten. Wereldwijd zijn er gelukkig steeds meer cacaobomen aangeplant om aan de voortdurend stijgende consumptie te voldoen.

[1] Buijsse et al: Cocoa intake, blood pressure, and cardiovascular mortality: the Zutphen Elderly Study in Archives of Internal Medicine – 2006
[2] Schroeter et al: (-)-Epicatechin mediates beneficial effects of flavanol-rich cocoa on vascular function in humans in PNAS – 2006

Huttentutzaad

Van de huttentut (Camelina sativa) heb je waarschijnlijk nog nooit gehoord. Toch was het ooit in Nederland een belangrijk landbouwgewas. Zo bekend was de huttentut dat hij een hele serie regionale namen heeft gekregen, waaronder dederzaad, vlasdodder of vlasdotter. In Engelstalige landen staat hij bekend als camelina, gold-of-pleasure, false flax wild flax, linseed dodder, German sesame or Siberian oilseed.
Het is dus wel duidelijk dat de huttentut inheems moet zijn van Engeland tot aan Siberië. De huttentut behoort tot de uitgebreide familie van de kruisbloemigen (Brassicaceae). Het is een eenjarige plant, die in hoogte varieert van 30 tot 120 centimeter. De zijstengels worden gedurende het jaar houtig van structuur. Dat maakte die stengels perfect voor het gebruik als bezem. De huttentut bloeit met vaalgele bloemen en de kleine zaden hebben een karakteristieke oranje kleur.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Camelina, is een combinatie woord uit het Grieks. Wikipedia gelooft dat het eerste deel als 'grond' vertaald moet worden, maar ze hebben het fout. Kamai (Καμαι) betekent namelijk zoiets als neer(leggen) of neer(slaan) en linon (λινον) betekent 'vlas'. Samen verklaart het het bijgeloof dat huttentut in staat is om de energie van vlas te kunnen verminderen. Het tweede deel, sativa, betekent in het Latijn 'gezaaid' of 'gecultiveerd'.

De huttentut werd traditioneel geteeld voor diens plantaardige olie. Het werd ingezet als lampenolie. De koek, de restanten die overbleven na het persen, deed dienst als veevoer. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat men al rond 1000 vC in het oude Griekenland is begonnen met het telen van deze nuttige plant. De huttentut werd namelijk verbouwd op plaatsen die niet meer geschikt bleken voor olijfbomen.

Tot de Tweede Wereldoorlog was de huttentut een belangrijk gewas, zeker omdat gedurende die tijd de Duitsers behoorlijk last kregen van embargo's. Ze moesten wel hun tanks en vliegtuigen voltanken met huttentutolie.
Er wordt intussen onderzoek verricht of de huttentut niet aan een revival zou kunnen beginnen. De plant is namelijk bijzonder rijk (tot wel 45%) aan omega-3-vetzuren. Het is eigenlijk zeer geschikt als bakolie. En dus hadden ze daar in Griekenland helemaal gelijk: als er geen olijven en olijfolie zijn neem je gewoon huttentutzaad en huttentutolie.

Mocht je overigens willen weten wat het woord 'huttentut' betekent, dan bevindt je je in goed gezelschap: via 'huttegetut' komen taalkundigen uit bij 'klein grut', vanwege de kleine zaadjes. In diezelfde woordfamilie zit ook 'hutje mutje': als je met teveel mensen in een te kleine ruimte zit.

De geschiedenis van tijgernoten (of chufa's)

Het lijkt vreemd, maar in de Spaanse stad València zijn tijgernoten (of chufa's) onderdeel van een oeroude traditie. Waarom juist daar of waarom slechts daar en nauwelijks elders in Spanje (en dan vergeten we gemakshalve de streek rond Barcelona)?

De eerste meldingen van de cultivatie van tijgernoten (of chufa's) stammen uit het Egypte van de farao's. In de graftombe van Renkmire, vizier van de farao Tuthmose III (1479–1425 vC), werden resten van brood, gemaakt van chufa, aangetroffen. In Egypte werden deze aardnoten bijzonder gewaardeerd om hun voedingswaarde. Maar met de teloorgang van het oude Egypte lijkt ook de tijgernoot van het toneel te zijn verdwenen. Maar is dat wel zo?
[Van knolcyperus naar chufa]
Maar die veronderstelde 'dark ages' vallen wel mee, want zelfs in de tijd van de farao's waren de Arabieren al handelaren, die allerhande goederen over de toen bekende wereld vervoerden. Geen wonder dat chufa zelfs nu nog een delicatesse is in grote delen van donker Afrika.


Dat het lijkt alsof we een paar millennia kwijt zijn is dus maar schijn. Na hun verovering van grote delen van zuidelijk Spanje rond het jaar 711 nC, introduceerden de Arabieren de knolcyperus in de regio rond València. Juist daar waren de omstandigheden perfect voor de knolcyperus. Er bestaan boeken, waarin gemeld wordt, dat er omstreeks de dertiende eeuw in de buurt van València een drank van chufa werd gefabriceerd, een voorvader van de huidige horchata.

In de zeventiende eeuw schreef John Gerarde (1545–1612) in het kruidenboek 'Herball, or Generall Historie of Plantes' (1597), dat chufa ook geconsumeerd werd in het Italiaanse Verona. Daar stond het tot in de achtiende eeuw nog bekend als bagigi, een verbastering van het Arabische woord ḥabb 'aziz, dat letterlijk 'lekker zaad' of 'goed zaad' betekent.

En dus vraag ik me af waar de naam 'chufa' vandaan komt. De meest geaccepteerde verklaring is dat het woord afgeleid is van het Latijnse cyphi dat zoiets moet betekenen als 'geur van galangal (ofwel geelwortel)'. In Frankrijk bestaat het oude woord souchet, dat zijn Latijnse voorganger wat algemener laat klinken '(a plant) whose roots smell very sweetly'.
Met andere woorden: iedere plant met geurige wortels was cyphi, souchet of chufa. Bovendien meldde de Arabische benaming ook al dat de wortels lekker zijn. Die observaties kloppen allemaal: de tijgernoot (of chufa) smaakt heerlijk nootachtig zoet.
Wil je tijgernoten (of chufa's) eens proberen, dan kun je ze hier bestellen.

Tijgernoot (of chufa)

Een zeer hardnekkig onkruid, zo wordt knolcyperus (Cyperus esculentus) hier te lande genoemd. Hij behoort tot de cypergrassenfamilie (Cyperaceae), waartoe ook het papyrusriet (Cyperus papyrus) behoort.
Knolcyperus is een eenjarige of meerjarige plant, die tot 90 centimeter hoog kan groeien met een enkele biesachtige stengel vanuit een knol. De knolcyperus is herkenbaar aan zijn roze ‘voetje’. Een enkele plant kan zich in een seizoen naar alle zijden meters ver uitbreiden. Onder optimale omstandigheden kan één moederknol in één groeiseizoen ongeveer 200 planten en 8000 knollen vormen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Cyperus, is afkomstig uit het Grieks, waar κύπειρος (kypeiros) 'zegge' betekende. Het tweede deel, esculentus, is een vervoeging van het Latijnse woord esca, dat 'voedsel' of 'eetbaar' betekent.

In de landen van herkomst, de landen rond de Middellandse Zee, wordt de knolcyperus als voedsel gezien. In Egypte werd hij al 6000 jaar geleden geteeld voor zijn eetbare knollen. Daar werden ze gekookt in bier or geroosterd. Zelfs nu wordt hij nog in Spanje verbouwd en worden de knollen tijgernoten (nee, niet die van Duyvis), aardamandelen of chufa's genoemd. Vooral in de omgeving van de Spaanse stad Valencia worden ze ook gebruikt voor een melkachtige drank, Horchata de chufa.
De knollen zijn dus eetbaar en worden tegenwoordig in sommige kringen zelfs gezien als een superfood. Ze hebben een zoetige, wat nootachtige smaak. Omdat tijgernoten vrij hard zijn worden ze gewoonlijk eerst in water geweekt voordat ze gegeten worden.

De tijgernoot levert veel energie als gevolg van de aanwezigheid van zetmeel, vet, suiker en proteïnes. Verder bevat het mineralen (voornamelijk fosfor en kalium) plus de vitamines E en C. De olie van de tijgernoten bevat 18% verzadigd vetzuur en 82 procent onverzadigd vetzuren: oliezuur (een omega-9-vetzuur) en linolzuur (een omega-6-vetzuur).

Als akkerbouwer ben je echter mooi de pineut als hij (of zij) de knolcyperus op je perceel aan zou treffen. Dan wordt direct een absoluut teeltverbod voor alle akker- en tuinbouwgewassen, waaronder maïs en gras, opgelegd. Het op dat perceel verbouwde gewas wordt ook aan strenge regels onderworpen om verspreiding van het onkruid tegen te gaan. Daarnaast is de boer verplicht om de knolcyperus rigoureus te bestrijden en verdere verspreiding te voorkomen. Daarna is het perceel verboden gebied en wordt het ieder jaar streng gecontroleerd. Pas als drie jaar achtereen geen knolcyperus wordt aangetroffen wordt het teeltverbod opgeheven. Bovendien moet de boer ook nog eens financieel bijdragen aan alle kosten, die gemaakt worden bij de bestrijding van deze pest.
Wil je tijgernoten (of chufa's) eens proberen, dan kun je ze hier bestellen.

Cactuszaad

De eerste gedachte bij het lezen van de titel van deze column is er waarschijnlijk eentje van ongeloof. Wie eet er nu cactuszaad? Dit is het verhaal achter een nieuwe hype.
De prickly pear (Opuntia ficus-indica) is ook bekend onder diens Israëlische benaming 'sabra fruit'. Maar goed, de hype spreekt over de prickly pear en dus doen wij dat ook maar. Het is een cactussoort die ooit alleen inheems was in Mexico en daar lang geleden door de Maya's gedomesticeerd is. Het fruit van deze cactus, hier gewoonlijk cactusvijg genoemd, smaakt wat zoetzuur en lijkt wat op die van een peer. Het zijn vruchten die met enige omzichtigheid 'gepeld' moeten worden: op de leerachtige schil bevinden zich vele kleine stekels die gemakkelijk in de huid dringen. Het beste is de cactusvijg op dezelfde manier te behandelen als een mango.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Opuntia, is genoemd naar de oude Griekse stad Opus (Ὀποῦς), waar volgens een legende ooit een eetbare plant groeide die vermeerderd kon worden door worteldelen te begraven. Het tweede deel, ficus-indica, is Latijns voor 'Indische vijg', maar de cactus lijkt daarop in het geheel niet en is zelfs niet verwant aan die plant.

Al in de zestiende eeuw werden de eerste prickly pears overgebracht naar Noord-Afrika omdat het klimaat in de Sahara niet veel andere gewassen kan voortbrengen. Van daaruit heeft de teelt zich uitgebreid en intussen zijn Marokka en Israel de grootste producenten van de cactusvijg (of Sabra). In Australië is de cactus in de achttiende eeuw ingevoerd om tuinen wat kleur te geven. Daarna werd de plant gebruikt als heg rondom landbouwpercelen. Geen goed idee, zo bleek al snel en de prickly pear werd al snel een invasief onkruid en op dit moment is bijna 300,000 vierkante kilometer landbouwgrond verworden tot een ondoordringbare jungle van prickly peren.

Omdat het fruit van de prikly pear ook wordt gebruikt voor sapproductie, bleef men natuurlijk zitten met allerhande restproducten, waaronder pulp, schillen en pitten. Er is wat onderzoek gedaan naar die pitten en het bleek dat er hoge concentraties (~60%) linolzuur, een omega-6-vetzuur[1]. Dat is inderdaad veel, maar zonnebloemolie bevat evenveel linolzuur.

Verder onderzoek toonde aan dat er in de zaden maar weinig vitamine E (~0,4 mg/gram) – in al zijn verschijningsvormen – in voor te komen[2]. In zonnebloemolie zit echter wel ~50 mg/gram vitamine E.
Met andere woorden: in zonnebloemolie zitten meer gezonde stofjes verstopt dan in de pitjes van de prickly pear. Maar op internet circuleren nu reclames van aanbieders van de olie van de prickly pear met loze kreten als: '9 Prickly Pear Oil Benefits That Will Make Your Skin Look Younger Overnight!'

Zoals altijd verzinnen de verkopers simpelweg de vermeende voordelen van deze olie. Het voedt, is vochtinbrengend en verzachtend, vermindert huidveroudering, voorkomt rimpels en al die andere zaken die ietwat angst gaan inboezemen bij het stijgen der jaren. Overigens kun je ook gewoon je gezicht insmeren met zonnebloemolie. Da's een stuk goedkoper.

[1] Chouqui et al: Oil composition and characterisation of phenolic compounds of Opuntia ficus-indica seeds in Food Chemistry – 2013
[2] Ghazi et al: chemical composition and antioxidant activity of seeds oils and fruit juice of Opuntia Ficus Indica and Opuntia Dillenii from Morocco in Journal of Materials and Environmental Science – 2013

Boternoot (of witte walnoot)

De witte walnoot (Juglans cinerea) is een boom, die van nature voorkomt in het oosten van de Verenigde Staten en Zuidoost-Canada. De witte walnoot is een boom tot twintig meter hoog, met uitschieters tot zelfs veertig meter meter. De schors is lichtgrijs en gegroefd. De bladeren zijn tussen de 40 en 70 centimeter lang. Het is een samengesteld blad dat tot 17 deelblaadjes heeft. Die deelblaadjes zijn harig en lichtgroen. De mannelijke bloemen zijn hangende katjes. De vrouwelijke bloemen zijn harig en vormen zich in clusters van twee tot vijf.
De schil van de bolster is harig en groen tot bruinachtig groen van kleur. De eetbare boternoot (of witte walnoot) is ovaal van vorm.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Juglans, is afkomstig uit het Latijn, waar het een samenvoeging is van Jōvis en glans. Normaal betekent glans 'eikel', maar soms werd het woord ook wel gebruikt als alternatief voor nux ('noot'). Samenvattend betekent het dus 'noot van (de god) Jupiter. Het tweede deel, cinerea, is ook al Latijn en betekent 'grijs' en benoemt de kleur van de bast.

Uiteraard is de witte walnoot zeer nauw verwant aan de (Europese) walnoot (Juglans regia).

In het Engels wordt deze noot vaak butternut genoemd, maar dat kan verwarring opleveren. De naam butternut wordt namelijk ook gebruikt voor de muskaatpompoen (Cucurbita moschata). Daarom is 'witte walnoot' misschien de meest duidelijke term voor deze noot.

Gedurende de Amerikaanse Revolutie maakte men een extract van de schors van deze boom in de hoop dat het drinken daarvan pokken zou voorkomen, ernstige diarree kon behandelen en andere maag- en darmstoornissen zou kunnen verhelpen.

Notenallergie

Vrijwel alle voedingsmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong bevatten eiwitten. Voedselallergie is een abnormaal sterke reactie van het menselijk afweersysteem op die eiwitten. De specifieke eiwitten, die een afweerreactie veroorzaken, noemen we allergenen.

Door het lichaam worden deze allergenen ten onrechte als indringers gezien en het afweersysteem reageert hierop door het aanmaken van antistoffen. Elke keer als het allergeen wordt herkend, komen de antistoffen direct in werking. Dit heet ‘sensibilisatie’. Deze antistoffen noemen we Immunoglobulin E ofwel IgE. Elk allergeen heeft zijn eigen specifiek IgE. Als reactie komen allerlei stoffen in het lichaam vrij, waaronder histamine. Dit noemen we de allergische reactie.

In principe kan ieder voedingsmiddel, dat eiwit bevat, een allergische reactie opleveren, maar er zijn een aantal die vaker dan gemiddeld problemen opleveren. Dat zijn pinda's, noten, soja, melk, eieren, tarwe, vis, schaaldieren, mosterd, sulfieten en sesamzaadjes. De eerstgenoemde acht zorgen voor 90 procent van de gevallen.

Om een allergie te voorkomen was lange tijd is het standaard voedingsadvies geweest je baby niet te vroeg pap, koemelk, noten of vis te geven. Maar kinderen die al vroeg pindakaas krijgen, hebben juist veel minder vaak pinda-allergie dan kinderen die pinda’s hebben vermeden. Onderzoek heeft ondertussen uitgewezen dat pindakaas en andere potentiële allergenische voedingsmiddelen zo vroeg mogelijk in het dieet van baby's zouden moeten worden opgenomen, want juist dan wordt voedselallergie voorkomen[1],[2],[3]. Het wordt intussen ook aanbevolen om baby's, die borstvoeding krijgen, zo snel mogelijk een botenhammetje met pindakaas aan te bieden[4].

[1] Du Toit et al: Randomized Trial of Peanut Consumption in Infants at Risk for Peanut Allergy in New England Journal of Medicine – 2015
[2] Du Toit et al: Effect of Avoidance on Peanut Allergy after Early Peanut Consumption in New England Journal of Medicine – 2016
[3] Du Toit et al: Prevention of food allergy in Journal of Allergy and Clinical Immunology – 2016
[4] Perkin et al: Enquiring About Tolerance (EAT) study: Feasibility of an early allergenic food introduction regimen in Journal of Allergy and Clinical Immunology – 2016

Granaatappelpitten

De granaatappel (Punica granatum) is een grote struik of kleine boom die uiteindelijk zo'n acht meter hoog kan worden. Van oorsprong stonden de wortels van de granaatappelboom in wat nu Iran is, maar sinds onheuglijke tijden werd de boom aangeplant in het hele Middellandse Zeegebied voor diens smakelijke fruit: de granaatappel.
De granaatappel lijkt misschien vaag op een granaat, maar dat is toch niet de reden voor de naam. Het is juist anders om: granaatappels en granaten hebben qua naam beide eenzelfde oorsprong. De naam stamt van het Latijnse woord granatus ('veelzadig') dat gemakkelijk te herleiden is tot granum ('graan' of 'zaad'). We ontdekken dus nu dat de woorden 'granaat' en 'graan' inderdaad dezelfde bron hebben. In de Middeleeuwen werd deze vrucht in het Engels apple of Granada genoemd, naar de Spaanse province die destijds in handen van de Moren was. Die oude Engelse naam is in onbruik geraakt, maar leeft nog stilletjes voort in de heraldiek, het gebruik van familiewapens.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Punica, stamt uit het Latijn, waar de Romeinse wetenschapper Plinius (23-79 nC) de vrucht malum Punicum noemde. Dat kan vertaald worden als 'appel van Phoenicië'. Dat was ooit een land wat nu ongeveer het huidige Libanon bestrijkt. Het tweede deel, granatus, is hierboven al verklaard.

Granaatappels worden voornamelijk gebruikt voor het maken zeer gezond vruchtensap dat boordevol vitamines A, C, E en B11 (foliumzuur) zit. Maar de vele eetbare pitjes zijn helemaal gewild, zeker grote delen van de oude wereld, waaronder Centraal Azië, noordelijk Afrika, de drogere delen van zuidoost Azië en het hele Middellandse Zeegebied. De laatste jaren probeert men de granaatappelpitten ook Nederland te introduceren, al kenden wij het sap uiteraard al tijden onder de naam grenadine.
Granaatappelpitten worden in de Indiase en Pakistaanse keukens veel gebruikt als specerij en wordt daar anardana genoemd. Anardana (soms ook wel daaru, dalim of daran) is gemaakt van in de zon gedroogde en daarna vermalen zaadjes (plus het daaraan gehechte vruchtvlees) van iets te zure granaatappels. Ze worden toegepast als zurig ingrediënt in de vele chutneys en curry's die de regio rijk is.

In de Griekse keuken worden granaatappels (ρόδιrodi) gebruikt in vele recepten, waaronder koliva (κόλλυβα) – en niet kollivozoumi zoals Wikipedia foutief beweert - een romige bouillon van gekookte tarwe, granaatappels en rozijnen.

Granaatappelpitten bevatten veel vitamine C, K en B11. Ze zijn een goede bron voor voedingsvezels. Verder zitten er hoge gehaltes aan onverzadigde vetzuren in verborgen: punisch zuur (65.3%), oliezuur (6.3%) en linolzuur (6.6%). Er zitten ook nog wat lage gehaltes aan verzadigde vetzuren in, waaronder palmitinezuur (4.8%), stearinezuur (2.3%).

Vijg

De vijg (Ficus carica) hoort thuis in zwoelere streken, die ver ten zuiden van ons liggen en ze zijn daar met de historie en de cultuur van die Mediterrane regio verweven. Hij hoort dus van nature thuis in Zuid-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Het is een boom of grote struik, die tot een meter of zes hoog kan reiken. Ziet u zichzelf al liggen onder een schaduwgevende vijgenboom, genietend van een koel glas wijn? Dan hoeft u niet meer zo ver als voorheen te reizen want de vijg groeit ook hier in het veel koelere Nederland, al haalt hij hier slechts het niveau van een behoorlijke struik.
De vijg is een broertje van de ficus (Ficus benjamina) en heeft, net zoals zijn broertje ook al heeft, last van huidirriterende latex. Maar de vijgenboom is natuurlijk het meest bekend door zijn vrucht, de vijg. Daardoor is de vijg al sinds onheuglijke tijden gedomesticeerd en wordt door sommigen zelfs gezien als de alleereerste boom die zichzelf door de mens liet temmen. Het is een cultuurvolger geworden en hij komt nu zelfs in delen van het Amerikaanse continent voor.

De het eerste deel van de wetenschappelijke naam van de ficus, Ficus, betekent in het Latijn gewoon ‘vijg’, maar dat vertelt ons nog niets. Het kan verder herleid worden tot het Griekse sukon (συκον) en daar herkennen we het Hebreeuwse shiqmâh (שִׁקמָה) en het Sumerisch sukannu in. Zonder klinkers (die bestonden nog niet) wordt dat dus škn, wat zoiets betekende als 'wonen' of 'leefbaar'. Er werd vaak in de buurt van vijgenbomen een dorp gesticht. Het tweede deel, carica, is Grieks van oorsprong (Καρία) en betekent '(van) Karia', een regio welke thans deel uitmaakt van westelijk Turkije.

In vroegere tijden werd de vijgenboom als een heilige boom gezien door alle volkeren rondom de Middellandse Zee. De boom werd alom gekoppeld aan vruchtbaarheidsrites.

Traditioneel werden vijgen gebruikt om allerhande kwalen te bestrijden. Natuurlijk werd de vijg gegeten om verstopping tegen te gaan, maar ook ziektebeelden als bronchitis, hoog cholesterol, vitiligo (de witte huidvlekken waaraan Michael Jackson zou lijden), psoriasis (een chronische huidziekte) en zelfs diabetes zouden niet bestand zijn tegen de gezonde stofjes die zich in de vijg verborgen houden. Uitwendig zouden wratten niet tegen de al genoemde latex kunnen.

Tijd dus om de waan en werkelijkheid eens van elkaar te gaan scheiden. Voorlopig onderzoek doet vermoeden dat de antioxidanten in de vijg en het vijgenblad inderdaad werkzaam zijn tegen diabetes type-1, maar verder onderzoek is beslist noodzakelijk. De bladeren van de vijgenboom blijken bij ratten een cholesterolverlagend effect te hebben. De latex van de vijgenboom lijkt inderdaad zonder bijverschijnselen werkzaam te zijn tegen wratten.

Het effect van de vijg op huidproblemen is zeer ongewis. Wat wel duidelijk is, is dat de latex behoorlijk huidproblemen kan opleveren. Dat noemen ze fytophorodermatitis, een eczeemachtige reactie die ontstaat onder invloed van zonlicht nadat de latex met de huid in aanraking is gekomen. Dus de mogelijk werking van de vijg tegen psoriasis en vitiligo zou best wel eens een gevolg van de negatieve effecten van de vijg zelf kunnen zijn. Ieder voordeel heb z’n nadeel, zei een bekende Nederlander ooit.

Omdat de vijg al eeuwen geleden gedomesticeerd is is het ook geen wonder dat er tegenwoordig meer dan 700 rassen bestaan die allemaal hun eigen geografische plekje in het Middellandse Zeegebied hebben. Zie bijvoorbeeld hier voor een overzicht.

Vlasbouw bij Kimswerd

Gastcolumn van Reinder Politiek

In mijn dorp Kimswerd werd al eeuwen vlas verbouwd. Vlasbouw had twee doelen het zaad van de plant en linnen. Van de plant werd het linnen gemaakt en voor 1930 waren hier een 40-tal zogenaamde braakhokken waar in de winter de vlasplanten werden gebraakt. In de zomer was het al gerepeld en in het vlas in sloten geroot, zodat het in de winter gebraakt kon worden.
Voor een paar centen gingen vaak werkeloze mannen in zo’n tochtig koud hok vlasbraken. Het was het slechtste werk wat je maar kon bedenken. De hoeveelheid stof was zo groot dat je bijna niemand in het hok zag. Die mannen kregen zware longproblemen. Er was in die periode hier zelfs een dominee die wilde die mannen niet tijdens de preek in de kerk. Door hun gehoest werd hij teveel gestoord!

In het voorjaar kwamen die mannen als spookachtige lijken weer uit hun hokken. Volgens de vlasbrakers  sloop 'de Dood' de gehele winter rondom dat hok om zijn kans te grijpen. Het linnen, wat uiteindelijk overbleef, is nooit door hen gedragen, noch zijn de lakens door hen gebruikt.
Hier werd het witbloeiende ras CONCURRENT verbouwd. Tijdens de bloei werd het geregeld door ambtenaren van de NAK, Nederlandse Algemene Keuringsdienst, gekeurd en gecontroleerd op ziekten en vermenging van andere rassen. Het gekeurde zaad werd dan ook duur verkocht voor zaaizaad. Ongekeurd zaad werd grotendeels in oliemolens gemalen. De vrijkomende lijnolie was een ideaal product voor de verf en linoleumindustrie.

Iedere veeboer had een zakje lijnmeel in huis. Het was een voortreffelijk 'glijmiddel' bij een zware verlossing bij koeien en schapen. Als je koeien lijnkoeken voerde kon je dat aan het haar van die beesten waarnemen. Het glom van de olie. Stamboekboeren waren net als hun koeien verzot op lijnkoeken. De koeien vertoonden zich dan op hun best voor kopers.

Ieder jaar werd hier in maart het nodige vlas gezaaid, want de opbrengsten waren financieel zeer groot. Hier groeide namelijk vlas van uitmuntende kwaliteit en de Belgische vlashandelaren waren er verzot op.

Toen de nylon en ander kunstvezels op de markt kwamen was het uit met de vlasbouw. Jammer, want vlas zorgt er voor dat de grond het volgende jaar een hogere opbrengst zou geven.

Blauwmaanzaad

Gastcolumn van Reinder Politiek

In de oorlog was het verbouwen van blauwmaanzaad zeer lucratief. Koolzaad was verplicht want de Duitsers eisten het zaad op voor de olie. Bij blauwmanen (blauwmaanzaad) was dat niet zo streng maar wel moest alle zaad bij hen ingeleverd worden. Bij de dorsmachine stond altijd een strenge controleur en die moest eerst om de tuin geleid worden of tijdens een plaspauze om dan een aantal zakken zaad te gaan stelen van je eigen gewas. Koolzaad en blauwmaanzaad werd ’s nachts illegaal geperst met zelfgemaakte persen. De olie was in de oorlog onmisbaar voor lampolie en om er in te bakken.
Als kinderen mochten wij absoluut niet in het gewas komen. De verdoving tijdens het bloeien en vlak daarna kon je fataal worden. Als je in slaap viel zou je niet weer wakker worden.

Na de oorlog schoot de prijs van maanzaad naar grote hoogten. De olie werd in straaljagers gebruikt. Pas toen men synthetische olie maakt zakte de prijs weer naar normaal en werd er daarna weinig blauwmanen meer verbouwd.

Als de bollen rijp waren loerden spreeuwen op het zaad. Ze maakten met hun scherpe snavel onder de bol een klein gaatje en lieten daarna steeds hun bek vol lopen met zaad. Na enige uren waren ze stoned en konden amper meer vliegen.

Na de oorlog moesten we tijdens het dorsen het kaf van de bolsters opvangen in zakken en dat ging naar een fabriek in Gelderland. Daar werd er een verdovende stof uit gehaald. Die stof werd bij bevallingen gebruikt.

Maïs

Enkele decennia geleden zag je vrijwel nooit maïs (Zea mays) op een akker staan, maar tegenwoordig is het een gewas dat veelvuldig wordt aangeplant. Maïs is een graan dat van warmte houdt en daaraan is in ons koele kikkerlandje vaak een chronisch gebrek. Toch wordt tegenwoordig in Nederland jaarlijks meer dan 100,000 hectare snijmaïs geteeld, voornamelijk bestemd als veevoer. En omdat het klimaat hier nauwelijks geschikt is voor maïs worden de zaden niet rijp. Er zijn echter wel vroege tot zeer vroege rassen ontwikkeld, die voor de teelt van korrelmais gebruikt kunnen worden.
Indianen ofwel Native Americans hebben maïs duizenden jaren geleden in Midden-Amerika 'getemd'. Het is lang een raadsel geweest uit welke plant maïs is ontstaan omdat er geen voorvader in het wild groeit. Uiteindelijk is men uitgekomen bij een groepje verwante grassoorten die gezamenlijk de naam teosinte (letterlijk: 'god-maïs' ofwel 'goddelijke maïs') dragen. Zowel DNA-onderzoek als archeologische opgravingen tonen aan dat de oorspronkelijke bewoners al tussen 10,000 en 6,250 jaar geleden met het proces van domesticatie zijn begonnen[1]. Het proces zelf kan wel enkele honderden jaren geduurd hebben voordat een oermaïs ontstond.
[Teosinte, de voorvader van maïs]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Zea, is afgeleid van het Griekse woord zeia (ζεία), waarmee vermoedelijk spelt werd aangeduid. Mogelijk staat dat woord weer in verband met zao (ζαω) dat 'leven' heeft betekend. Het tweede deel, mays, is afkomstig van de Spaanse vorm van het woord, maíz, dat op zijn beurt weer is geleend van het uit het Taíno, een inheemse taal, afkomstige woord voor de plant; mahiz.

Intussen behoort maïs wereldwijd tot één van de basisvoedingsmiddelen. Toen maïs voor het eerst in andere culturen dan de Midden-Amerikaanse werd geïntroduceerd, werd het gewas enthousiast onthaald wegens diens grote opbrengst. Het duurde niet al te lang voordat men last kreeg van wat bijverschijnselen als ondervoeding. Dat was een mysterie omdat datzelfde probleem niet werd gezien bij de inheemse bevolking, waar maïs ook al het belangrijkste voedingsmiddel was, Uiteindelijk bleek dat de Meso-Americanen, de voorvaderen van de Indianen, al rond 1200-1500 vC geleerd hadden om de maïskorrels eerst te weken in alkali (loogzout), gemaakt van as en limoensap. Dit proces maakte niacine ofwel vitamine B3 vrij en beter opneembaar. Het gebrek aan niacine was de onderliggende oorzaak voor een stoornis die men nu pellagria noemt. De symptomen hiervan zijn huidaandoeningen, diarree en dementie. Gelukkig komt dit probleem in Nederland niet voor als gevolg van ons gevarieerde aanbod van voedsel.
Voor de mensen, die geloven dat gluten levensgevaarlijke effecten op je lichaam heeft, is maïs een goede vervanger. Het bevat namelijk geen gluten. Wel bevat maïs een zogenaamd lipid transfer protein, een onverteerbaar eiwit dat zelfs koken kan overleven[1]. Dit eiwit is in verband gebracht met een zeldzame allergie als gevolg van het eten van maïs. Je moet dus blijven oppassen met wat je eet.

[1] Piperno et al: Late Pleistocene and Holocene environmental history of the Iguala Valley, Central Balsas Watershed of Mexico in Proceedings of the National Academy of the USA - 2007  
[2] Pastorello et al: Lipid-transfer protein is the major maize allergen maintaining IgE-binding activity after cooking at 100 degrees C, as demonstrated in anaphylactic patients and patients with positive double-blind, placebo-controlled food challenge results in The Journal of Allergy and Clinical Immunology – 2003

Kafferkoren (of Sorghum)

Kafferkoren of Sorghum (Sorghum bicolor) behoort tot een geslacht uit de grassenfamilie (Poaceae). De soorten van dit geslacht komen voor in vrijwel de hele wereld, maar slechts één soort wordt voor menselijke consumptie geteeld. De naam kafferkoren is natuurlijk afgeleid van het woord 'kaffer' dat op zijn beurt geleend is van het Arabische woord kafir, dat nog steeds 'ongelovige' betekent. Qua woord is er dus niets aan de hand, maar omdat mensen tegenwoordig zo snel gekwetst zijn zullen we het  in het vervolg van deze column toch maar hebben over 'sorghum'.
Sorghum werd al rond 3000 vC gedomesticeerd op de savannes van West-Afrika en Ethiopië. Van daaruit heeft het gewas zich over geheel Afrika verspreid. Ongeveer 2000 vC werd sorghum ook verbouwd in Centraal-India, een bewijs van de vroege contacten tussen beide gebieden. In Egypte werd ze als cultuurplant pas belangrijk vanaf de vroeg-islamitische tijd (640-1250 nC). Afrikaanse slaven brachten sorghum begin 17e eeuw mee naar de Verenigde Staten, waar nu het grootste gedeelte van de wereldproductie plaatsvindt teneinde maïs te vervangen als veevoer.

Sorghum is een eenjarig gewas dat afhankelijk van het ras 0,6 tot wel 5 meter hoog kan worden, terwijl de stengel vijf tot meer dan dertig millimeter dik worden. De bladeren lijken op die van maïs, maar zijn iets korter en breder. De pluim is gewoonlijk compact bij sorghums, die ten behoeve van menselijke voeding (food) wordt verbouwd, terwijl hij open is bij varianten die voor dierlijke voeding (feed) wordt geteeld.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Sorghum, levert de nodige problemen op. De meest aannemelijke verklaring is dat het afstamt van het in de Middeleeuwen gesproken Latijn, suricum granum, dat vertaald kan worden als 'graan uit Syrië'. Sorghum kwam in die periode kennelijk vanuit Syrië. Het tweede deel, bicolor, lijkt me duidelijk: het betekent 'tweekleurig' in het Latijn. De zaden zijn tweekleurig.
Gezien zijn herkomst is sorghum een graan dat zich het meest thuisvoelt in tropische en subtropische oorden. Sorghum is in onze contreien lastig te telen omdat de plant veel zonuren nodig heeft. Maar de vaderlandse kwekers hebben wel voor hetere vuren gestaan en hebben door veredeling rassen ontwikkeld die ook in onze gematigde streken kunnen floreren. Ook lijkt sorghum onverwachte kwaliteiten te bezitten, want de soort kan zich goed handhaven bij verzilting van de ondergrond en het graan is glutenvrij. Dat is een plezierige bijkomstigheid voor het toenemend aantal consumenten dat zegt te kampen met glutenallergie.

Voor wat betreft voedingswaarde kan sorghum zich meten met tarwe. Het bevat grote hoeveelheden van bepaalde essentiële voedingsstoffen, waaronder vitamine B6, ijzer en mangaan.

Teff

Teff (Eragrostis tef) is een grassoort en een graansoort, al zullen de meeste mensen er nog nooit van gehoord hebben. Het is een gewas uit het geslacht van de liefdesgrassen (Eragrostis) en is inheems in grote delen van Ethiopië en Eritrea, ooit een deel van Ethiopië, maar recent afgescheiden na een bloedige onafhankelijkheidsoorlog. Het is ook populair in armere landen en gebieden als Somalië, Jemen, Noord-Kenia en Zuid-Soedan. De populareit van teff neemt zienderogen toe en het wordt tegenwoodig ook al in India, Australië en, jawel, de Verenigde Staten verbouwd.
Teff is kan een hoogte bereiken van zo'n 120 centimeter en is in principe een eenvoudig te verbouwen gewas: het houdt van temperaturen tussen de 10 en 27oC . Bovendien kan teff tegen droogtestress (tijdens de droge periodes in de woestijn) en tegen wateroverlast (tijdens de natte periodes). De maximale productie wordt behaald op akkers die rond de 2,000 meter hoogte liggen.

Teff zou zich hier eigenlijk niet zo op zijn gemak moeten voelen want de bloemen moeten eigenlijk ook nog eens twaalf uur zonlicht per dag hebben. Toch wordt het gewas soms in ons land verbouwd. Het areaal aan teff in Nederland bedroeg in 2005 zo'n 240 hectare. Doordat de verkoop achter bleef en de consument niet veel van de positieve effecten van het product wist, wordt de graansoort tegenwoordig alleen nog maar geteeld op proefvelden.
In diens thuislanden is teff echter een belangrijk voedselgewas. Daar wordt het gebruikt voor platte broden met de namen als injera, keyta of laxoox. Daartoe mengt men teffbloem met water en laat het mengsel enkele dagen gisten, precies zoals bij zuurdesem. Hierdoor krijgt de injera een lichtzurige smaak. Vervolgens wordt het in platte koeken gebakken.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Eragrostis, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar erao (εραω) 'verliefd zijn' betekent en anthemion (ανθεμιον) een verkleinwoord is van anthos, wat 'bloem' betekent. Samen is dat dus zoiets als 'verliefd zijn op bloemetjes'. Het tweede deel tef is vermoedelijk afgeleid van een Ethio-Semitische woord tff, dat 'verloren' betekent en de superkleine graankorrel beschrijft.

De grootte van de teffkorrels is inderdaad miniem, want 150 korrels wegen evenveel als één tarwekorrel. Daardoor is het fysiek onmogelijk om de vliesjes van de zaden af te slijpen en is teffmeel dus altijd volkorenmeel. Toch is dat geen probleem omdat één halm zoveel korrels ontwikkelt dat hij uiteindelijk het gewicht ervan nauwelijks meer kan torsen.

Is teff uit voedingskundig oogpunt een interessant gewas? Het bevat geen gluten en is dus geschikt voor mensen met een glutenintolerantie. Het zit bovendien boordevol waardevolle micronutiënten (vitamines en mineralen), waaronder ijzer, calcium, koper en mangaan.

Vreemd dat we wel quinoa helemaal uit Zuid-Amerika halen, terwijl we geen homegrown teff willen consumeren. Onbekend maakt onbemind, zullen we maar zeggen.

Noten en Hart- en Vaatziekten

Er komt steeds meer bewijs beschikbaar dat het volgen van het zogenaamde Mediterrane dieet uiteindelijk kan leiden tot een langer en gezonder leven. Juist omdat er zoveel onderzoek gedaan wordt komen er steeds meer puzzelstukjes bij: weinig rood vlees, een wijntje op zijn tijd kan zeker geen kwaad, weinig zuivelproducten. Maar het eten van veel groente, fruit, vis en olijfolie is dan weer gezond.

Het laatste puzzelstukje blijkt het consumeren van noten te zijn. Zoals al in veel columns op deze site is gemeld zitten noten, zaden en pitten vaak boordevol de zo noodzakelijke meervoudig onverzadigde vetzuren, vitamines en mineralen.
Recent onderzoek heeft aangetoond dat vijf keer per week een handje noten, zaden of pitten al tot positieve effecten kan leiden[1]. Een hogere consumptie van noten werd geassocieerd met lagere ontstekingswaarden. Als je vervolgens ook nog eens drie maal per week rood vlees, bewerkt vlees of vleeswaren, eieren of bewerkte graanproducten vervangt door noten, zaden of pitten, dan verminderen de waarden van het C-reactive protein (ofwel CRP) aanzienlijk. CRP lijkt in verband te staan met hartproblemen. CRP lijkt in staat te zijn het risico op hart- en vaatziekten te voorspellen en is daarin nét zo goed als de cholesterolwaarden.

Hoe meer noten, zaden of pitten je in je Mediterrane dieet weet op te nemen, hoe minder kans je hebt op het krijgen van hart- en vaatziekten.

[1] Yu et al: Associations between nut consumption and inflammatory biomarkers in American Journal of Clinical Nutrition – 2016

Koffieboon

Koffie wordt gezet van de zaden van diverse soorten van het geslacht Coffea. Ze vormen, afhankelijk van de soort, struiken tot kleine bomen. Koffiesoorten zijn inheems in tropische en zuidelijke streken van Afrika, alsmede tropisch Azië. Ondertussen zijn koffiestruiken overal aangeplant waar het klimaat het toelaat. Er bestaan minsten 100 verschillende koffieplanten en in ondoordringbare oerwouden worden nog steeds 'nieuwe' soorten ontdekt.
Na de bloei ontstaan uiteindelijk eetbare rode of paarse bessen. Iedere bes bevat twee zaden, al zit er in zo'n 10 procent van de bessen maar eentje. In zowel de bladeren als de bessen zit caffeïne, een alkaloïde die de plant aanmaakt ter bescherming tegen vraat van planten- en besseneters. Qua economische waarde is Coffea arabica het belangrijkst en deze soort levert ongeveer 75 tot 80 procent van de wereldproductie van koffie. Voor de rest is Coffea robusta een goede tweede. Beide soorten hebben ooit hun wortels in de droge gebieden van Ethiopië gehad. Robusta-bonen komen veel uit Vietnam en Indonesie, terwijl Arabica-bonen uit Colombia en Midden-Amerika afkomstig zijn.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Coffea, is afgeleid van het Arabische woord qahwah ('koffie'), maar dat ooit wellicht 'wijn' heeft betekend. Anderen denken dat het woord te maken heeft met een regio in Ethiopië die 'Kaffa' wordt genoemd, maar onduidelijk is of de regio vernoemd is naar koffie of andersom. In oude Arabisch woordenboeken werd echter geschreven dat het van het werkwoord qahiya 'geen honger hebben' afkomstig was en dat had te maken met de eetlust bedwingende eigenschappen van koffie. Het tweede deel, arabica, betekent uiteraard '(uit) Arabië'.

Er bestaat enig bewijs dat de koffieboon als stimulerend middel al bekend was gedurende het leven van de beroemde Arabische arts en astronoom Abu Bakr Muhammed ibn Zakariya El Razi (852-932). Niet geheel duidelijk is of er een drank van de bonen gebrouwen werd of dat er op de bittere bonen gesabbeld werd.
Voor veel mensen kan de dag niet écht beginnen voordat ze een paar kopjes koffie hebben gedronken. Mogelijk doen we een beetje aan zelfmedicatie, want koffie is onderwerp van veel wetenschappelijk onderzoek geweest. Jarenlange regelmatige gematigde koffieconsumptie (een paar kopjes koffie per dag) lijkt een gunstig effect te hebben op onze cognitieve vermogens[1]. Het voorkomt mogelijk de achteruitgang van onze cognitieve vermogens op latere leeftijd en het ontstaan van neurodegeneratieve aandoeningen zoals alzheimer en parkinson. Ook kan het zowel het risico op als de schadelijke gevolgen van een beroerte beperken. Gepubliceerde onderzoeken in de afgelopen jaren wijzen consistent op een verband tussen regelmatige, gematigde koffieconsumptie (zonder suiker en melk) en een verlaagde kans op diabetes type 2[2]. Zelfs een lagere sterfte door een veelheid aan kwalen wordt gemeld door het drinken van koffie.

[1] Wu et al: Coffee intake and the incident risk of cognitive disorders: A dose-response meta-analysis of nine prospective cohort studies in Clinical Nutrition – 2016
[2] Effect of Coffee Consumption on the Progression of Type 2 Diabetes Mellitus among Prediabetic Individuals in Korean Journal of Family Medicine – 2016

Cashewnoot

De cashewboom (Anacardium occidentale) levert een van de meest gegeten noten ter wereld. Het grensgebied van Brazilië en Paraguay wordt beschouwd als het oorspronkelijk domein van de cashewboom. Hij wordt 10 tot 15 meter hoog en is een altijdgroene loofboom.

Voordat de Portugezen Brazilië koloniseerden genoten de inheemse Indianen al eeuwenlang van zowel de niervormige noot als de schijnvrucht, de cashewappel. Ook al lijkt de cashewappel op een vrucht, het is eigenlijk een vlezige verdikking van de steel van de echte vrucht. Sap van die cashewappel werd gefermenteerd en gedronken als wijn. Braziliaanse Indianen roosterden de cashewnoten om de ietwat giftige dunne schil te verwijderen. De Maja's gebruikten zelfs de bast van de cashewboom om een thee te zetten die werkzaam zou zijn tegen diarree.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Anacardium, is van Griekse herkomst: ana-kardia (ανα-καρδια) betekent zoiets 'op hart' en verklaart de vorm van de schijnvrucht en de plaats van de noot daaraan. Het tweede deel, occidentale, is afgeleid van het Latijnse woord occidens wat zowel 'zonsondergang' als 'west' betekende. Het verklaart de vindplaats van deze soort. Het woord 'cashew' is afgeleid van het Portugese woord voor de boom caju, dat op zijn beurt is geleend van het inheemse Tupian woord acajú, wat letterlijk 'noot die zichzelf maakt' betekent. Weet u dat ook weer.

Al in de achttiende eeuw introduceerden de Portugezen de cashewboom in hun kolonies in Oost-Afrika en hij ontsnapte al snel aan de aandacht van de plantages. Nu groeit hij uitbundig aan de kusten van Mozambique. Vervolgens werd de cashewboom populair in Oost-Afrikaanse landen als Kenia en Tanzania. Daarna verspreidde de soort zich over de kusten van de landen aan de Indische Oceaan. Intussen is India de grootste producent van cashewnoten.
Cashewnoten hebben het hoogste eiwitgehalte van alle boomnoten (19,5%). Dit gehalte komt overeen met die van sojabonen en is zelfs hoger dan die van pinda's. Alle essentiële aminozuren zijn aanwezig in de noot en hij heeft bovendien een hoog vetzuurgehalte (46%). Daarvan is ruwweg 20% verzadigd vetzuur, 60% enkelvoudig onverzadigd verzuur en 20% meervoudig onverzadigd vetzuur. Cashewnoten zijn verder rijk aan koper, mangaan forfor en magnesium. Bovendien zitten er nog aanzienlijke waarden van de vitamines B1, B6 en K in.

Jammer dat er tegenwoordig zoveel mensen zijn die last hebben van een notenallergie. Zij kunnen niet (meer) genieten van deze zo gezonde snacks. Misschien moeten we onze kinderen vroeger kennis laten maken met voedingsmiddelen die in potentie een allergie kunnen veroorzaken. De wetenschap denkt in ieder geval dat zoiets een goed idee is.

Amarantzaad

De tweehuizige amarant (Amaranthus palmeri) is een plant, die inheems is in het grootste deel van de zuidelijke Verenigde Staten. De bladeren, de steel en de zaden van deze amarant zijn, net zoals vele andere amarantsoorten eetbaar en zelfs zeer voedzaam. De soort werd ooit wijdverspreid geteeld en gegeten door de Noord-Amerikaanse Indianen. Andere gerelateerde amarantsoorten werden zijn duizenden jaren lang als bladgroente verbouwd in Mexico, Zuid-Amerika, het Caraïbisch gebied, Afrika, India en China. Dat begint dus goed, zal de lezer nu opmerken, maar deze plant heeft een duister kantje.
 De tweehuizige amarant kan giftig zijn voor vee omdat het, precies zoals spinazie, nitraten in zijn bladeren kan opnemen. Op zich is dat geen probleem, maar tegenwoordig wordt vooral in de Verenigde Staten uitbundig met kunstmest gestrooid om de oogst de grond uit te laten schieten. In dergelijke verpeste landbouwgronden kan de tweehuizige amarant zoveel stikstof uit de bodem opnemen dat het zo'n grote hoeveelheid nitraat bevat dat het zelfs voor de mens vergiftigingsverschijnselen kan opleveren.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Amaranthus, is afkomstig uit het Oud-Grieks, waar ά-μάράινω (a-maraino) een betekenis had als 'niet verwelken' en het verklaarde de langdurig bloeiende bloemen van deze familie. Het tweede, deel, palmeri, eert Dr. Edward Palmer (1831-1911), die als bioloog in Mexico naar planten speurde.

Omdat men in Amerika nauwelijks meer weet heeft van de voordelen van de natuur, zijn de meeste mensen vergeten dat je ook groente van de boer of uit je eigen moestuin kunt halen. Daar eet bijna niemand meer groente, zelfs niet die uit de supermarkt. Simpelweg te duur voor de steeds maar groeiende onderklasse.
Wat er dus met de tweehuizige amarant gebeurt, is een treurig voorbeeld van de commercie. De plant is verworden van een voedzame groente tot een lastig onkruid omdat andere planten meer opleveren. Hij is veroordeeld tot een plekje in de berm of vergeten stukjes grond, maar hij is nog steeds in staat om problemen op te leveren. Door de toenemende droogte in de Verenigde Staten ziet de tweehuizige amarant kans om stiekem aan een tweede leven te beginnen. Hij kan namelijk veel beter over die droogte van zijn gecultiveerde concurrenten en dus zal de tweehuizige amarant steeds vaker tussen andere gewassen opduiken.

Hier in Nederland is de tweehuizige amarant nog een zeldzaamheid. De Verenigde Staten zijn echter een wereldspeler op het gebied van gemengd vogelvoer en de tweehuizige amarant smokkelt zichzelf soms mee omdat hij tussen zaadproducerende gewassen opduikt. Overigens hebben we hier voldoende amarantsoorten in onze vaderlandse natuur. Daar hoeft geen exotische variant bij te komen.

Meegevoerd in zaadmengsels wordt hij overal ter wereld gretig uitgestrooid om hongerige vogels te voeren. Maar het zaad van de amarant is recentelijk bevorderd van vogelvoer naar superfood. Tegenwoordig zit het onooglijke zaad verpakt in trendy zakjes om de snel beïnvloedbare mens te bewegen om hun zuurverdiende geld te verkwisten.

Amandelen

De amandel (Prunus dulcis) is een bomensoort die inheems is in diverse landen in het Midden-Oosten en zuidelijk Azië. Al duizenden jaren geleden werd de amandel door de mens zo gewaardeerd dat hij naar de Mediterrane kusten van Noord-Afrika en Zuid-Europa werd overgebracht.
De amandelboom is een kleine loofboom, die tot een meter of tien hoogte kan opgroeien. In zijn wilde toestand komt de amandelboom voornamelijk voor in bergachtige gebieden, veelal tussen 700 en 1700 meter hoogte. De boom gedijt het best op zonnige hellingen op rotsachtige bodem in een mediterraan klimaat met warme droge zomers en milde, natte winters. De boom bloeit in het vroege voorjaar, wanneer de boom nog geen bladeren heeft gevormd. De bloemen zijn wit tot lichtroze. De amandelboom vormt steenvruchten, waarin een amandel zich ontwikkelt.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Prunus, is van Griekse herkomst en betekent ‘pruim’ en dat vertelt ons dat ook de amandel tot de uitgebreide familie van voornamelijk eetbare pruimachtigen behoort. Het tweede deel, dulcis, is afkomstig uit het Latijn, waar het 'zoet' betekent. Toch is het verhaal hiermee niet afgelopen omdat er zowel zoete amandelen als bittere amandelen bestaan. Het zijn twee broertjes van elkaar ofwel ondersoorten. Zoete amandelen zijn de vruchten van de Prunus dulcis dulcis, terwijl de bittere amandelen vruchten van de Prunus dulcis amara zijn. Voor de volledigheid: amara is afgeleid van het Latijnse woord amarus, dat 'bitter' of 'droevig' betekent.
De amandel is een steenvrucht en dat betekent dat het kwetsbare zaad, de eigenlijk eetbare amandel perfect beschermd wordt tegen vraatzuchtige dieren en ziekmakende organismen. Na de oogst wordt de buitenkant van de 'pit' van deze steenvrucht vaak alvast gekraakt. Daarna wordt het vlies wordt verwijderd door de amandel kort te blancheren.

Amandelen bestaan voor bijna 50% uit vetten. Uitgesplitst bestaan die vetten uit circa 7,5% verzadigde vetzuren, 62,5% enkelvoudig onverzadigde vetzuren en 24,5% meervoudig onverzadigde vetzuren. Daarnaast is een amandel rijk aan vitamine E en vitamine B2. Met andere woorden: zoals zoveel noten, zaden en pitten is het geen wonder dat het consumeren van een dagelijkse portie amandelen perfect past in het zo geroemde Mediterrane dieet.

Toch moet je wel een beetje oppassen omdat de bittere amandelen cyanogene glycosiden als amygdaline bevatten. Daaruit kan het giftige waterstofcyanide ofwel blauwzuur worden vrijgemaakt. Een vuistregel is dat, hoe bitterder ze smaken, hoe giftiger ze zijn.

Maar laat dit niet een reden zijn om je amandelen links te laten liggen. In de vaderlandse supermarkten ligt alleen de zoete (en dus gezonde) versie.

Dadels

Je gelooft het misschien niet, maar zelfs de dadelpalm (Phoenix dactylifera) wordt soms in ons land verwilderd aangetroffen. Weliswaar treffen we hem vrijwel altijd aan in het centrum van oudere binnensteden waar de temperatuur wat hoger blijft dan in de winderige buitenwijken of de vrije natuur. De dicht opeen gebouwde huizen weerkaatsen ook het zonlicht en de gebrekkig isolatie van de woningen helpt ook om de temperaturen iets dragelijker te maken voor de dadelpalm. Uiteraard groeien deze dadelpalmen zelfs daar niet uit tot grote dadelsdragende palmbomen, maar overleven doen ze wel.

In wat meer warmere omstandigheden kan een dadelpalm tot 20 meter hoog worden met tot zes meter lange bladeren. Het duurt 4 tot 8 jaar voordat de dadelpalm voor het eerst vruchten zal produceren, maar als ze daarmee beginnen kunnen ze per oogst wel 150 kilo aan dadels opleveren.
[Dadelpalm - Niet in Nederland gefotografeerd]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Phoenix, is op het eerste gezicht afkomstig van het Griekse phoinix, de vogel van Arabië die iedere 500 jaar naar Egypte vloog om herboren te worden. Het Griekse woord phoinos betekent echter ook 'bloedrood' en in het Phoenisisch betekende hetzelfde woord 'paarsrood', de kleur van het fruit. Het tweede deel, dactylifera, is een combinatiewoord uit het Grieks , waar daktulos ooit zowel 'vinger' als 'dadel' betekende en het werkwoord fero, wat 'ik draag' betekent. Samen is het dus zoiets als '(een boom die) vingervormige vruchten draagt'.

Dadels vormen in grote delen van het Midden-Oosten een belangrijk onderdeel van de dagelijkse voeding. Men denkt zelfs dat dadels al rond 7000 vChr voor het eerst werden gecultiveerd in wat nu westelijk Pakistan is. De oude Egyptenaren gebruikten de vruchten voor het maken van wijn.

De naam 'dadel' – net als zijn Engelse vorm date – is een verbastering van de wetenschappelijke soortnaam. Dactylifera is namelijk afgeleid van het Griekse woord daktulos, wat 'vinger' betekent en de langwerpige vorm van het fruit beschrijft.
Eigenlijk is het vreemd dat men in Noordwest-Europa geen liefhebber is geworden van de zoete dadels. Zou juist die zoetheid ons meer doen verlangen naar de Mediterrane zon? Houden wij juist van zure en bittere fruitsoorten omdat daar wellicht de zo noodzakelijke vitamines en mineralen in zouden zitten? Een onbewuste hang naar 'bitter in de mond, maakt het hart gezond'?

Ik geloof daar niets van. Ik denk dat het gewoon te maken heeft dat dadels in het verleden niet lang genoeg 'goed' bleven en daardoor niet in de groente-afdeling van de supermarkt terecht kwamen. We gaan steeds meer op vakantie naar exotische landen, gaan steeds meer houden van exotische gerechten en dus is de dadel ook aan een voorzichtige opmars in ons land bezig.

En juist dat is de reden dat we hem in toenemende mate in het wild zullen aantreffen. Het is immers een heerlijke en gezonde snack die eenvoudig vele ongezonde tussendoortjes kan vervangen. Maar een dadel heeft een pit en die pit spuug je uit of gooi je weg. De natuur weet wel raad met zo'n buitenkansje. Nu moet de global warming nog een beetje doorzetten en we kunnen ons wanen aan de kusten van de Middellandse Zee.

Quinoa

Soms moet ik een keertje diep zuchten als blijkt dat er weer volksstammen ondoordacht achter het laatste superfood aanrennen. Quinoa (Chenopodium quinoa) is weer zo'n onzinverhaal. In zijn thuislanden in de onherbergzame Andes wordt quinoa verbouwd op grotere hoogten dan graan. Daar zijn de omstandigheden vaak zo bar dat maar weinig planten het kunnen volhouden. De zaden worden vermalen tot meel en gebakken als brood of gefermenteerd tot een zurige pap.

Quinoa is geen graan, maar is familie van de koolsoorten. Het is een broertje van de in Nederland inheems groeiende witte ganzenvoet ofwel melganzenvoet (Chenopodium album).
De quinoaplant kan tot drie meter hoog worden en kan in vier tot vijf maanden van zaad, via bloei tot zaad groeien. De stevige houtige stengel blijft vaak onvertakt en kan, afhankelijk van het ras groen, rood of purper van kleur zijn. Zoals alle ganzenvoeten groeit ook quinoa in pluimen. Het piepkleine nootje is slechts twee millimeter in doorsnede en kan, ook al afhankelijk van het ras, wit, rood of zelfs zwart zijn.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Chenopodium, is een combinatiewoord uit het Grieks: chen (χήν) is ‘gans’ en pous (πούς) is ‘voet’. Samen is dat dus 'ganzenvoet'. Het tweede deel, quinoa, zou via het Spaanse woord quinua afgeleid zijn van kinwa uit het Quenchua, de oude taal van de Inca's. Die taal wordt in het hooggebergte nog sporadisch gesproken, maar hier lopen we tegen een probleem aan. In het oude Quenchua woordenboek van Gonzáles Holguín (1560-1620) is ayar de naam voor de wilde Quinoaplant en capi is dan 'quinoawortel'.
Hoe gezond is quinoa? De zaadjes bevatten alle essentiële aminozuren, in een voor mensen bijna perfecte balans. Vergelijken we quinoa met granen dan is quinoa rijk aan de vitamines B2 en E en de mineralen ijzer, koper, mangaan en magnesium. Quinoazaad bevat circa 56 procent meervoudig onverzadigde vetzuren, 28 procent enkelvoudig onverzadigde vetzuren en 12 procent verzadigde vetzuren. Toch strooi je maar een handjevol quinoazaadjes door je yoghurt en dus levert dat niet al te veel gezondheidswinst op.

De consumptie van quinoa is in de afgelopen jaren echter zo sterk toegenomen dat de prijs van dit voedsel in Peru en Bolivia is verdrievoudigd. Met als gevolg dat de lokale bevolking steeds meer moeite krijgt om voor hun basisvoedsel te betalen. Dus omdat wij hier in het rijke westen denken dat quinoa een superfood is, lijden ze in Zuid-Amerika honger.

Waarom gaan we hier niet de inheemse witte ganzenvoet verbouwen? Het blad is eetbaar en smaakt naar spinazie en heeft een hoog gehalte aan caroteen. Gemalen zaden leveren meel, waarvan brood gebakken kan worden. In delen van India is het zelfs een basisvoedsel. Of zou quinoa hier geteeld kunnen worden? O wacht.

Spelt

Spelt (Triticum spelta) is een exoot die zich plotseling, vermomd als superfood, in ons dagelijks leven lijkt op te dringen. Op diverse websites die uw gezondheid positief proberen te beïnvloeden, maar tegelijkertijd uw portemonnee willen legen, wordt spelt aanbevolen als een panacee voor een hele serie aan gezondheidsklachten. De belangrijkste claim is wel dat brood, gebakken van spelt, gegeten kan worden door mensen met een glutenintolerantie omdat het graan geen gluten zou bevatten.
Het is dus tijd geworden om de waan van de werkelijkheid te scheiden. Spelt is, zoals alle andere granen, een grassoort die door eeuwenlange selectie eetbare graankorrels heeft opgeleverd. Spelt heeft een ingewikkelde route afgelegd voordat het in ons land in bakkerijen terechtkwam. De oudste archeologische vondsten nabij de Zwarte Zee dateren al van 5000 jaar voor Christus. Gedurende de bronstijd (3000-800 vChr) verspreidde spelt zich over heel Centraal Europa en later in de ijzertijd (vanaf 800 vChr) was spelt in delen van West-Europa het belangrijkste verbouwde gewas. Pas in de 20ste eeuw werden de laatste akkers waarop spelt werd verbouwd omgeploegd en werd het gewas daar vervangen door tarwe.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Triticum, is afkomstig uit het Latijn, waar tero 'malen' of 'schuren' betekent en dus het proces van malen van graan beschrijft. Het tweede deel, spelta, is van onzekere herkomst, maar is vermoedelijk verwant aan het Germaanse '(ver)spillen'.

Spelt bestaat voor ongeveer 58 procent uit koolhydraten, 17 procent eiwit en 3 procent vet. Ook zitten er in spelt wat minder gluten als er in tarwe zitten en dat maakt het wel geschikt voor dezelfde bakproducten als waarvoor tarwe gebruikt wordt, maar nog steeds ongeschikt voor mensen met coeliakie ofwel glutenintolerantie.
De belangrijkste reden van de hernieuwde belangstelling voor spelt is de biologische landbouw: tarwe heeft nogal wat aandacht en zorg nodig, terwijl spelt het goed doet op arme gronden en heeft dus minder bemesting nodig. Het nadeel van spelt is dat de aar minder goed in staat is om de zaden vast te houden, waardoor er nogal wat oogstverlies kan optreden en daarom is men ooit overgestapt op tarwe. Strikt biologische producten worden voornamelijk verkocht in gezondheidswinkels en daar verschijnen voornamelijk klanten die terecht bezorgd zijn over hun eigen gezondheid en die van de aarde in het algemeen.

Maar diezelfde mensen blijken ook ietwat goedgelovig te zijn. Hoe is het mogelijk dat een steeds groter aantal consumenten plotseling denkt dat ze last hebben van glutenintolerantie? En dat speltbrood daarvoor de oplossing kan zijn? Men gelooft tegenwoordig wat men wil geloven. De feiten en de waarheid zijn daarbij alleen maar lastig, maar het past wel in een algeheel wantrouwen voor grote multinationals, wetenschap en reguliere nieuwsbronnen. De wereld wordt onbewust steeds kleiner gemaakt. Gezien alle ellende in de hedendaagse wereld is dat nog te begrijpen ook.

Overigens wordt spelt alweer af en toe verwilderd in onze natuur aangetroffen.

Betelnoot

De betelnoot is een steenvrucht van de betelpalm (Areca catechu), een tot 20 meter hoge palmboom. De vruchten zijn bij rijpheid geel tot oranje van kleur, zijn rond tot eivormig van vorm en hebben een doorsnede van zo'n 6 centimeter. In die vrucht zit dus de betelnoot. De betelnoot is botanisch gezien een broertje van de kokosnoot, maar is een stuk kleiner.
De oorsprong van de betelpalm ligt volgens de geleerden op de Filippijnen, maar groeit en bloeit ondertussen in grote delen van Zuidoost-Azië, de Stille Oceaan en het Caraïbisch gebied. Hij heeft dus dezelfde route gevolgd als zijn grotere broer, de kokosnoot. Het gekke is natuurlijk dat de kokosnoot op vele idyllisch mooie eilanden in de Stille Zuidzee met stralend witte stranden beschouwd wordt als een onmisbare bron van voeding, terwijl de betelnoot slechts een genotsmiddel is.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Areca, is afkomstig van de plaatselijke naam in het Malabar, een kust- en taalgebied in het zuidwesten van India, waar areek de naam van de betelpalmboom was. Het tweede deel, catechu, is ook al afkomstig uit een taal van het Indiase subcontinent, waar caycao of kaku of katti-shu uit het Tamil stamt en 'betel(noot)' betekent. De variaties hebben te maken met de manier van overzetten van het Tamil naar de westerse klanken.
De betelnoot is bitter en wordt gekauwd zoals men vroeger tabak pruimde. De noot wordt eerst nog gewikkeld in een betelblad. Vreemd genoeg is dat niet een blad van de betelpalm, maar het blad van een in delen van Zuidoost-Azië groeiende pepersoort, de betelpeper (Piper betle).

Zowel de betelnoot als de betelpeper hebben een licht stimulerende werking. Het is een vast onderdeel van de cultuur van vele landen waar de betelpalm wordt aangetroffen. Het helpt je de nare ervaringen van alledag wat vergeten en geeft je weer nieuwe energie. De werkzame stofjes in de betelnoot lijken ook een wat anti-depressieve werking te hebben (bij ratten)[1].

Nu klinkt het bovenstaande nogal positief, maar er kleven ook behoorlijk wat negatieve aspecten aan het pruimen van de betelnoot. De alkaloïden, zoals arecaidine en arecoline, werken verslavend. De betelnoot heeft verder een verwoestende uitwerking op je gebit en op de langere termijn is het gebruik kankerverwekkend. Vooral kankers in de mond komen veel voor na langdurig gebruik[2].
Ook de dieprode kleurstof, die de noot uitscheidt tijdens het kauwen, is niet direct esthetisch aantrekkelijk. De rode tanden doen mij denken aan Dracula die zojuist zijn laatste slachtoffer in haar nek heeft gebeten.

[1] Abbas et al: Potential antidepressant activity of Areca catechu nut via elevation of serotonin and noradrenaline in the hippocampus of rats in Phytotherapeutical Research – 2013
[2] Gupta et al: Rising incidence of oral cancer in Ahmedabad city in Indian Journal of Cancer – 2014